
De regenton die je wél gebruikt: zo kies je een ton die past bij jouw tuin, dak en routine.
, door Jesse Spijker, 11 min lezen

, door Jesse Spijker, 11 min lezen
Een regenton kopen klinkt vaak simpeler dan het in de praktijk is. Je ziet een mooie ton, kiest “ongeveer genoeg liters” en klaar. Tot je merkt dat hij precies op de verkeerde plek staat, dat je er met je gieter net niet bij kunt, dat hij bij een flinke bui meteen overstroomt, of dat je hem in de winter eigenlijk had moeten leegmaken. Het gekke is: bijna niemand heeft spijt van het idee “regenwater opvangen”, maar best veel mensen hebben spijt van de uitvoering.
In dit artikel help ik je om de regenton te kiezen die je ook echt gaat gebruiken. Niet alleen qua formaat, maar vooral qua plek, aansluiting, gebruiksgemak en seizoenen. Als je straks één ding meeneemt, laat het dan dit zijn: de beste regenton is niet de grootste of de mooiste, maar degene die moeiteloos in jouw dagelijkse tuin- of balkonroutine past.
De eerste vraag die bijna iedereen stelt is: hoeveel liter heb ik nodig? Logisch, maar het is zelden de doorslaggevende factor. De echte vraag is: hoe snel wil je dat je ton volloopt, hoe vaak ga je water pakken, en waar gebruik je het voor?
Een ton van 200 tot 300 liter is voor veel huishoudens een “lekker werkbaar” formaat, omdat hij na een paar goede buien al bruikbaar gevuld is en je er meerdere gietbeurten mee redt zonder dat het een log ding wordt. Maar als je vooral potten op een balkon water geeft, wil je eerder compact en makkelijk tappen dan “zo groot mogelijk”. En als je juist een grotere tuin hebt en in droge weken veel water verbruikt, is extra capaciteit fijn, maar alleen als je hem handig kunt vullen en legen.
Daarom zie je dat opvouwbare regentonnen populair zijn bij mensen die flexibiliteit willen: je zet hem neer in het seizoen dat je hem gebruikt, en bergt hem op als je ruimte nodig hebt of als de winter eraan komt. Waterdeal positioneert bijvoorbeeld opvouwbare modellen expliciet als ruimtebesparende oplossing, met formaten zoals 100 liter voor kleine plekken en 250 of 500 liter voor meer tuinwerk.
De plek is in de praktijk belangrijker dan het type ton. Een regenton die je elke keer “net te ver” vindt staan, gebruik je minder. Een ton die je moet passeren met een volle gieter langs een smal pad, wordt frustratie. Een ton die onder een kraan of overkapping staat waar je toch al loopt, wordt vanzelf onderdeel van je routine.
Kijk daarom naar drie dingen: je regenpijp, je looproute en je taphoogte. De regenpijp bepaalt hoe makkelijk aansluiten wordt. Je looproute bepaalt of je hem vanzelf gebruikt. En de taphoogte bepaalt of je er een gieter onder krijgt zonder te hannesen. Veel mensen onderschatten dat laatste en komen er pas achter als de ton eenmaal staat: het kraantje zit dan te laag, of je gieter past er nét niet onder. Een simpele verhoger of een ton met een gunstige kraanpositie kan dan het verschil maken tussen “handig” en “gedoe”.
Het aansluiten is vaak het moment waarop mensen afhaken. Niet omdat het onmogelijk is, maar omdat het net wat meer aandacht vraagt dan “slang erin en klaar”. In de meeste gevallen gebruik je een vulautomaat of regenpijpkraan die regenwater naar de ton leidt en bij een volle ton weer terug de regenpijp in laat lopen. Daardoor voorkom je dat je ton bij elke bui overloopt of dat je regenpijp rare lekkages krijgt.
Het tweede punt is de overloop. Zelfs met een vulautomaat is het slim om na te denken waar overtollig water heen kan, zeker bij hevige buien. Als je ton een overloopmogelijkheid heeft (of je maakt die met een overloopslang), kun je het water gecontroleerd naar een plek leiden waar het geen kwaad kan. Denk aan een stukje tuin waar het rustig kan infiltreren, in plaats van tegen je gevel of richting je schuur.
En dan is er nog de “eerste regen” na een droge periode. Die spoelt vaak stof en vuil van je dak. Een eenvoudige filter in de vulautomaat of bij de inlaat scheelt dan echt in troebel water en verstoppingen. Opvouwbare modellen worden ook vaak geleverd met een (gaas)filter of aansluiting die hierop inspeelt, juist omdat ze gericht zijn op praktisch gebruik.
Er wordt soms gedaan alsof een vaste ton per definitie “beter” is. In materiaalgevoel misschien, maar in dagelijks gebruik is het vooral een gedragskeuze. Een vaste ton staat er altijd. Dat is fijn als je een vaste plek hebt en je hem het hele jaar laat staan. Maar het is minder fijn als je in de winter liever ruimte vrijmaakt, of als je tuin klein is en je in het voorjaar toch weer schuift met potten, meubels en speelruimte.
Een opvouwbare regenton is vooral interessant als je seizoensgebruik hebt. In de lente en zomer wil je snel kunnen opvangen en tappen. In de herfst en winter wil je soms juist leegmaken en opbergen. Waterdeal benadrukt precies dat gebruikspatroon: inzetten wanneer nodig en compact opbergen wanneer hij leeg is of buiten het seizoen.
Een herkenbaar voorbeeld is de balkontuinier die in april enthousiast begint, in juli elke avond water geeft, en in oktober de boel wil opruimen. Voor die persoon is “opvouwen en weg” geen gimmick, maar precies wat ervoor zorgt dat de ton niet in de weg staat en dus wél blijft bestaan in het plan.
Als je benieuwd bent naar opvouwbare opties, kun je als referentie kijken naar formaten zoals 250 liter of 500 liter, omdat die grofweg het verschil markeren tussen “voor potten en klein tuinwerk” en “ook bruikbaar voor structureel sproeien”. Bijvoorbeeld de AquaFold opvouwbare regenton 250L en 500L van Waterdeal.
Dit is de stille killer van veel regentonnen: je hebt een ton, maar op drukke dagen pak je toch de tuinslang van de kraan “omdat het sneller is”. De oplossing zit bijna nooit in nóg een grotere ton, maar in gemak.
Als je veel met gieters werkt, wil je een kraan die je gieter goed kan vullen en een hoogte die past. Als je juist met een slang wilt werken, wil je een aansluiting die logisch zit en liefst een ton die stabiel staat, ook als hij halfvol is. En als je meerdere plekken in de tuin water geeft, kan het helpen als de ton staat waar je toch al langskomt, bijvoorbeeld bij een achterdeur of bij de plek waar je je tuingereedschap bewaart.
Een kort praktijkvoorbeeld: een gezin met een kleine voortuin en potten achter in de tuin zette de ton eerst naast de voorgevel “want daar zit de regenpijp”. In de praktijk gaven ze vooral water achter. De ton werd dus nauwelijks gebruikt. Toen ze hem verplaatsten naar een regenpijp achterom (met een simpele vulautomaat), werd het ineens vanzelfsprekend om een gieter te vullen als iemand toch al de deur uit liep. De ton was dezelfde, het gedrag veranderde.
Veel mensen denken dat een regenton “onderhoudsvrij” is. Dat is bijna waar, zolang je één ding serieus neemt: vorst. Water zet uit als het bevriest. Dat kan kranen, koppelingen en in sommige gevallen de ton zelf beschadigen. Daarom adviseren meerdere fabrikanten en regenton-specialisten om je ton winterklaar te maken door (gedeeltelijk) te legen en accessoires zoals slang en pomp los te koppelen of vorstvrij te bewaren.
Hoe streng je moet zijn, hangt af van materiaal en ontwerp. Sommige tonnen hebben een aftappunt of winterplug onderin, zodat je gecontroleerd kunt leegmaken. Een praktische middenweg die voor veel mensen werkt: zodra de eerste echte vorstperiode eraan komt, laat je de ton zakken tot onder het kraanniveau, haal je kraan of slang eraf als dat kan, en zorg je dat er geen water in kwetsbare onderdelen blijft staan. Daarmee voorkom je de meeste ellende zonder dat je er een groot project van maakt.
In Nederland en Vlaanderen (en zelfs per gemeente binnen Nederland) kan subsidie voor regenwateropvang best aantrekkelijk zijn, maar het is geen standaard “landelijke” regeling waar je zomaar op kunt rekenen. Sommige gemeenten vergoeden een deel van de kosten of werken met voorwaarden zoals een minimale inhoud, een maximum per huishouden, of een combinatie met een andere maatregel (bijvoorbeeld tegels eruit). Zo noemt Breda bijvoorbeeld voorwaarden rondom minimale inhoud en maximale aantallen, en Den Haag heeft een regeling waarin de hoogte van de vergoeding en het subsidieplafond expliciet benoemd worden.
Wat in de praktijk het beste werkt: kijk even bij je gemeente of waterschap of er op dit moment (2026) een regeling loopt, en check vooral de voorwaarden, want daar gaat het vaak mis. Een overzichtssite kan helpen om te ontdekken dát er subsidies bestaan, maar zie zo’n overzicht altijd als startpunt en niet als definitieve waarheid.
Als je een balkon of kleine stadstuin hebt, is de kans groot dat je vooral korte, frequente gietmomenten hebt. Dan wil je een ton die compact staat, makkelijk vult en waar je zonder gedoe een gieter onder krijgt. Een opvouwbare ton van rond de 100 tot 250 liter is dan vaak logisch, juist omdat hij weinig ruimte claimt en je hem in het najaar kunt opbergen. Als inspiratie kun je bijvoorbeeld een 100L of 250L opvouwbaar model bekijken.
Als je een gemiddelde tuin hebt met borders en wat potten, en je wilt vooral in droge weken je planten redden zonder kraanwater, dan is “genoeg buffer” belangrijker. Dan kom je vaak uit bij grofweg 250 tot 500 liter, afhankelijk van hoe vaak je water geeft en hoe snel je ton weer bijgevuld wordt door regen. Een model rond 500 liter wordt vaak genoemd als prettig voor regelmatig tuinwerk, juist omdat je meer speelruimte hebt tussen twee buien.
Als je een grotere tuin hebt of je gebruikt regenwater ook voor dingen als vijver bijvullen, auto wassen of langdurig sproeien, dan is het slim om na te denken over óf meerdere tonnen óf een grotere opslag, maar vooral ook over de logistiek: kun je het water makkelijk verplaatsen, wil je met een pomp werken, en hoe regel je de overloop bij zware regen? Het gaat dan minder om “nog een maat groter” en meer om een systeem dat je zonder stress bedient.
Een regenton is één van de meest tastbare manieren om slimmer met water om te gaan, maar hij werkt alleen als hij praktisch voelt. Als je eerst naar de plek en het gebruik kijkt, daarna naar de aansluiting en het gemak van tappen, en pas daarna naar liters en uiterlijk, maak je bijna automatisch een betere keuze. Denk ook meteen aan de winter: niet omdat het ingewikkeld is, maar omdat één goede gewoonte schade en irritatie voorkomt.
Als je verder wilt kijken naar modellen die vooral handig zijn voor kleine ruimtes of seizoensgebruik, dan kun je opvouwbare regentonnen als referentie meenemen, bijvoorbeeld in 100, 250 of 500 liter.